in ,

Nienke is 20, studeert en woont in een camper, want daar is ze het gelukkigst

Nienke de Rot is 20, studeert communicatie en woont op zichzelf. Maar niet op 12 vierkante meter in een studentenhuis, ze reist door Nederland in een Volkswagenbusje.

Douchen doet ze in de sportschool of bij vrienden, verder heeft het busje alles wat ze nodig heeft. “Nu ben ik hier op mijn gelukkigst.”

“Hooooi!” De manier waarop de 20-jarige Nienke de schuifdeur van haar camper opendoet en je vervolgens begroet, is ook een beetje de manier waarop ze door het leven gaat. Snel, enthousiast, doelgericht.

Ze staat geparkeerd op een gratis voormalige camperparkeerplek in Zaandijk. Links: het treinstation Zaanse Schans, remmende en optrekkende sprinters, piepjes van de ov-chipkaartautomaat.

Rechts: voetbalvelden en bedrijventerreinen. “Eigenlijk niet echt knus, hè”, zegt ze. Een glimlach. “Toch was het dat wel toen ik hier stond.”

Nienke is geen hippie met haarbandjes in en een peaceteken op haar bovenarm. Ook geen zwerver die alles heeft verloren wat haar ooit zo lief was. Ze is ook geen vrijbuiter. Ze is gewoon een student die in een zelfverbouwde camper woont.

Een basis
De parkeerplek in Zaandijk was drie maanden lang de basis voor Nienke en Jack – zo heet haar tweedehands Volkswagenbusje. Een dieseltje uit 1997. Ze kan overal naartoe waar ze wil (de milieuzones daargelaten).

De ene keer werkt en studeert ze een dagje op het strand, dan staat ze bij een vriendin op de oprit (na een goede stapavond, om maar wat te noemen), dan weer in Vianen aan het water, of lekker dicht bij huis, bij haar vader in de achtertuin.

“Het mooie is: de hele wereld kan mijn woonplek worden.”

Anderhalf jaar geleden kocht Nienke, student communicatie op de hogeschool in Breda, het busje via Marktplaats.

Ze woonde toen op kamers in een studentenhuis in Den Bosch, in een ‘superleuke kamer’ met ‘superchille huisgenoten’. “Ik voelde me er heel erg thuis, we hadden er zo veel lol, en als ik me terug wilde trekken kon dat prima op mijn zolderkamertje.”

Een beetje te gezellig
Het probleem was: Nienke vond het een beetje te gezellig. Ze at vaak met huisgenoten, te vaak, werkte ondertussen bij de Albert Heijn om haar huur te betalen, te veel, en die studie, nou ja: die leed er wel een beetje onder. Een beetje erg.

“Ik kwam twaalf studiepunten tekort in mijn eerste jaar. Ik stond op het punt om het niet te gaan halen.

En dat wilde ik niet: ik ben best ambitieus, ik had toekomstplannen die ik niet wilde laten knallen op twaalf studiepunten.”

Dus, wat te doen? Ze besprak het met haar vader, hun band is wat ze noemt ‘ijzersterk’, en die opperde of het niet goed zou zijn om weer terug te komen naar haar ouderlijk huis?

Geen huur betekende dat ze niet meer zoveel hoefde te werken, en dus meer tijd kreeg voor haar opleiding.

Benauwend
Nienke kijkt er een beetje bedenkelijk bij. “Heel lief dat mijn vader meedacht, maar ik kom uit een heel klein dorpje in Gelderland, er wonen 900 mensen, en ik wilde niet terug. Het heeft iets… benauwends.”

“Mijn vader voelde dat haarfijn aan en zei: ‘Nien, kun je niet een auto kopen, zodat je makkelijker kan gaan en staan waar je wilt?'”

En toen zei Nienke: “Dan wil ik wel een bus. Maakt me niet uit of hij tweede- of derdehands is, maar ik wil een bus. Ik ben altijd opgegroeid met busjes, als kind reed mijn vader me er al in rond.”

En toen werd het plan, terwijl vader en dochter op een doodgewone woensdagavond al kletsend aan de keukentafel zaten, steeds grootser.

Wilder. Professioneler ook. Als het een busje zou worden, zou er ook een bed in moeten – dan kon Nienke ook overnachten waar ze wilde.

En als er dan een bed in zou staan, dan misschien ook een keukentje. En als er dan een keukentje in zou zitten…

Thee zetten in een busje
“Nou ja, je ziet het”, zegt Nienke. Ze bukt als ze instapt en ploft neer op haar bed, met daarop een mintgroene deken en een rode eroverheen, voor als het afkoelt ‘s avonds.

Voor haar: een klein houten uitklaptafeltje waar haar laptop net op past, naast haar iets dat later het aanrecht(je) blijkt.

Boven haar: een snoer vol met sfeerlichtjes die zachtjes meedeinzen op de bewegingen die in het busje worden gemaakt.

“Wil je thee?” vraagt ze. Je zou alleen al ‘ja’ antwoorden omdat je met eigen ogen wil zien hoe dat gaat: thee zetten in een autobusje.

Er gaat een dekseltje van het aanrecht open, daar zit de gootsteen onder, en in die gootsteen staat een theepotje.

Nienke zet het fornuis aan, vult het theepotje met water uit een plastic fles en zet theewater op. Voor de buitenstaander een bezienswaardigheid, voor Nienke doodnormaal.

Lees ook  Oogontsteking, tinteling of ‘covid-teen’: dit zijn de zeldzamere symptomen van corona

Ze bouwde met haar vader, ‘echt een klusheld’, vijf maanden aan de camper, terwijl Nienke ondertussen met pijn en moeite haar studieachterstand inhaalde.

Zonder in een waslijst te vervallen, noemt ze een paar dingen op die moesten worden geregeld. Isolatie. Een dak. Een vloer. Een indeling.

Er moest een (uitschuifbaar!) bed in worden gebouwd, stopcontacten moesten er komen, accu’s, een gasfornuis, een watertankje, een keukentje, er moesten kastjes in worden getimmerd waar spullen makkelijk in kunnen, maar niet makkelijk uit vallen.

Queen uit de boxen
Er zitten zelfs boxjes in het bed, die Nienke kan aansluiten op haar telefoon. Soms schalt daar Queen uit, of andere muziek uit de jaren 80. Als het lekker weer is, doet Nienke het dakraam open, laat maar binnen, die zon.

In de winter is alles dicht, het verwarminkje aan – en die zet ze pas uit vlák voordat ze naar bed gaat.

“Ik sliep tijdens de vrieskou afgelopen maand onder vier dekens”, zegt ze. Koud? Ze haalt haar schouders op. Zo van: och. Wat is koud?

Stage
Ze koos deze parkeerplaats in Zaandijk als tijdelijke doch vaste uitvalsbasis omdat ze de afgelopen zes maanden stage liep bij een groot merk in Amsterdam – ze is net klaar, kreeg een supergoede beoordeling.

Omdat ze stage liep in coronatijd, werkte ze soms vanuit haar bus, met haar laptop op de hotspot vanaf haar telefoon (en soms wat extra mb’s gekocht voor lange Zoommeetings, want ‘dat vréét internet’).

Op kantoordagen reed ze met haar busje naar haar stagebedrijf, als ze naar vriendinnen ging pakte ze de trein op loopafstand van ‘haar’ parkeerplaats.

“Je moest eens wéten hoeveel praktische vragen ik krijg sinds ik hier in woon”, vertelt ze ondertussen.

Ze duwt een pakje Sprits-koekjes naar voren – ‘pak maar hoor’. Dan: “Mensen vragen me vaak: hoe ga je dan naar de wc?”

Ja? Hoe doe je dat?

Ze grijnst, wijst naar beneden, onder de plek waar ze nu op haar bed zit, en trekt een lade open. Er komt een klein, laag, chemisch toiletje tevoorschijn.

Ze geeft toe: in het begin was het gek, om midden in je bus, waar je eigenlijk alles doet, te zitten poepen of plassen (Nienke noemt het maar gewoon bij de naam).

Gek?
“Ik dacht van tevoren dat ik dit het allergekste zou vinden. En ook dat je dan met je eigen volle wc doodleuk verderrijdt, want je spoelt het niet door, je leegt hem één keer in de week. Maar het went. En er zit heel veel chemische vloeistof in, dus stinken doet het niet.”

Ze stapt uit. Het is opgehouden met miezeren. Ze loopt naar de achterbak van Jack, komt weer terug, en laat een witte fles zien. Er staat een lavendelplantje op. Haar wc ruikt eerder dáárnaar, dan naar wat anders.

Ander praktisch ding: je wassen. Ze heeft een watertankje dat is aangesloten op een kraan, en er zijn door heel Nederland speciale watertappunten voor kampeerders.

Douchen deed ze bij Basic Fit, waar ze een abonnement had en toen die nog open was, of bij twee beste vriendinnen in Amsterdam en Hilversum. “Na drie keer douchen bij iemand anders is dat niet vreemd meer.”

Althans, voor Nienke zelf. Haar vrienden vonden het in het begin wel een beetje gek, studeren en wonen in een busje.

“Ik kreeg geen commentaar hoor, ze dachten eerder: laat haar maar even. En nu vinden ze het leuk, komen ze een dagje langs.

Ik krijg alleen nog vragen van mensen die me niet goed kennen. Ik weet nog dat mijn stagebegeleider nogal bezorgd vroeg of ik een zwervend bestaan leidde. En andere mensen willen weten: heb je geen familie? Geen geld?”

Meid, ga
Hoewel het contact met haar moeder is verbroken (‘verdrietig, maar geen wrok of woede’), heeft ze een hechte band met haar vader.

“Maar hij kan me wel loslaten. Toen ik dit wilde, zei hij: ‘Meid, ga’. Hij weet wel vaak waar ik ben, en als er iets kapot is aan de camper, dan helpt hij.”

Haar vriendinnen zoeken Nienke op – even een appje om te checken waar ze staat, van tevoren, is handig.

“En ik rijd ook vaak naar hen toe. Het is verboden om zomaar ergens wild te kamperen, maar op hun opritten kan ik gewoon overnachten.”

Momenteel staat ze, vanwege de pandemie in combinatie met thuiswerken, vooral bij haar vader in de tuin. Bovendien is de parkeerplaats in Zaandijk sinds kort gesloten voor overnachtingen.

Toch is het wel stil in een bus, in haar eentje. Bang is ze niet, zelfs niet op parkeerplekken: ze is iemand die haar mannetje wel staat.

De deuren zijn wel altijd op slot zodra de zon ondergaat. “Ik maak geen uitzondering en check het altijd.

Lees ook  Katja komt met ijs met de smaken van Biggetjes, Apekoppen en Yoghurtgums

Want als jonge vrouw in je eentje in een busje, ben je kwetsbaar. Ik ben niet angstig, maar ook niet naïef.”

Soms mis ik mensen
“Soms mis ik mijn huisgenoten van uit mijn studentenhuis wel. Maar aan de andere kant heb ik ook veel rust. Er is weinig afleiding, je moet het echt met jezelf doen.

En weet je wat het ook is? In de camper ben ik alleen, maar er staan bijna altijd mensen om me heen.”

Oké, nu is de camperplaats misschien een beetje troosteloos. Het is (weer) gaan miezeren. Er staat één voormalige dierenambulance die door een zwerver wordt gebruikt als opslagplaats, en één camper die er volgens Nienke al ‘ik weet niet hoelang’ staat – verder is er niemand.

“Maar toen deze plek nog open was voor overnachtingen, reed ik hier een keer een nachtje heen, om even te proefslapen.

Het was toen zomer, augustus. Ik reed de parkeerplaats op en werd meteen begroet door een Amsterdams stel dat hier vaak stond. Die vrouw stond om het halfuur buiten te roken, en op één of andere manier voelde dat heel veilig.”

Ze leerde er ook een ouder echtpaar kennen, allebei de elektrische fiets achterop de camper, en ze maakten overdags tochtjes.

’s Avonds at Nienke vaak met hen, en als Nienke laat thuis kwam van een feestje of een lange werkdag, dronk ze nog even een kopje thee.

“Weet je wat wel wennen was”, vertelt ze, en dan steekt ze haar vinger op, zo van: luister. Een trein is hoorbaar, hij staat bijna tot stilstand, piepende remmen doen hun werk.

“Dat geluid van die aankomende en vertrekkende treinen, dáár moest ik aan wennen. Deze autodeuren”, ze klopt er even tegenaan, het galmt, “zijn niet geluidsdicht.”

Eenzaam is ze niet
Maar, anderzijds: je hoort ook de voetballers op het voetbalveld hiertegenover, die klaar zijn met hun training en hun fiets pakken om naar huis te gaan. “Het heeft iets geruststellends om nog een beetje leven om je heen te hebben.”

Eenzaam is ze niet. In de zomeravonden kan ze uren op haar bankje zitten dat aan de achterklep van haar busje zit gevestigd (ook een bouwsel van haar vader). Boekje lezen. Muziekje luisteren. En ze schildert veel.

Ze wijst naar haar dashboard. Naar haar linkervoordeur. Haar rechtervoordeur. Kleurige lijnen, figuren, het lijkt een zon.

Kunstzinnig. “Toen ik dat deelde op Tiktok en Instagram, kreeg ik zó veel reacties.” Dus deelt ze steeds meer op haar eigen sociale media.

Ben jij…
Eerst vooral om te laten zien: zo is het om in een Volkswagenbusje te wonen en studeren. Ze heeft nu duizenden volgers. Laatst stond ze in de H&M, tikte een meisje haar op de schouder. “Ben jij dat meisje van de camper?”

Nienke had niet zo goed geweten hoe ze moest reageren – er zijn zo veel mensen die een camper hebben.

“Maar toen ze begon over mijn gele fiets, die altijd achterop mijn busje zit, zei ik lachend: ‘Ja, ik ben dat meisje van de camper’.”

Hoe lang ze nog ‘dat meisje’ wil zijn? Ze weet het niet. Voor nu is dit de manier waarop ze wil wonen.

Ze heeft sinds een paar maanden een vriend, een hele leuke, eentje die in een huis woont waar ze in principe zo bij in zou kunnen trekken.

“Maar zo ben ik niet”, zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders. “Ik ben gewoon onafhankelijk.

Graag met mensen, net zo graag alleen. Samenwonen, in een stenen huis, kan altijd nog. Ik zie mezelf de komende vijf jaar nog wel vijf dagen per week in de bus zitten, en dan in het weekend bij mijn vader of vriend.”

Een luxe
Dan is het wel, geeft ze toe, een luxe om onbeperkt stroom te kunnen gebruiken. Om een douche tot je beschikking te hebben.

En om te kunnen stáán. Héérlijk. Rechtop in je eigen woonkamer. Iets dat in Jack niet kan – en waar haar rug soms nog weleens pijn door doet.

Maar het weegt niet op tegen hoe ze zich voelt in dat busje. Dat ze weg kan wanneer ze wil. Ze wil nu van A naar B kunnen, en dan nog naar C en D en E.

En ze wil nog naar het buitenland – haar busje was nét pas klaar toen corona uitbrak, dus dat is er nog niet van gekomen.

Haar ene droom: meedoen met de Boedapest Rally, waarbij een hele groep mensen met een zo opvallend mogelijk voertuig naar en door Hongarije roadtrippen.

Haar andere droom: langs de Portugese kust crossen. Overnachten waar ze wil. Blijven hangen waar ze wil.

Het meisje van de camper is altijd thuis.

Stel met kind kampeert in tentje boven steile afgrond: politie grijpt in

Enorme vogel-etende spin bewaakt garage