in

Hulpverlener Annemiek reed naar dodelijk ongeluk – haar zoon bleek het slachtoffer

Tijdens een nachtdienst wordt ambulancemedewerker Annemiek Valent (51) samen met haar collega opgeroepen. Er is een auto tegen een boom gereden.

Als ze daar arriveren, horen ze van de brandweer dat de bestuurder is overleden. Niet veel later komt Annemiek erachter dat het om haar 19-jarige zoon gaat. “Mijn kind hoorde veilig in zijn bed te liggen.”

Het was de afgelopen jaren druk in het hoofd van de 51-jarige Annemiek Valent. Het zat vol ongeloof, verdriet, boosheid, flarden van die ene nacht, beelden van haar zoon in een autowrak. Het duizelde Annemiek van de vragen.

Heeft mijn zoon nog geleefd na de klap?

Hoe kon hij, zonder rijbewijs, aan de autosleutels komen?

Waar is hij aan overleden?

Dat is, zo zegt ze nu, aan de keukentafel van haar huis in Badhoevedorp, klaarblijkelijk hoe het gaat als je je kind aan een noodlottig ongeluk verliest. “Je gaat je dingen afvragen die je je niet wílt afvragen. Er is geen ontkomen aan.”

Een ander soort melding
Het is 21 november 2015 als Annemiek een nachtdienst in Amsterdam draait met één van haar vaste collega’s, haar maatje.

Het was rustig die nacht, slecht weer wel, koud ook, maar de dienst kabbelde een beetje. Geen heftige gevallen.

Er was een brand in een heel mooi huis, weet ze nog. Geen gewonden. Er was een vrouw die was gevlucht voor huiselijk geweld; ze stond hyperventilerend onder een viaduct.

Maar om precies 4.13 uur in de nacht komt er een ander soort melding binnen. Annemiek lepelt hem op hier aan de keukentafel, in detail, ze weet het nog precies. ‘Auto tegen een boom en staat in brand’. En ook: ‘Slachtoffers onbekend’.

“Dan weet je wel dat het serieus is”, vertelt ze. “Een boom is bijna altijd fataal.”

Annemiek geeft gas – zoals ze dat al veertien jaar doet in geval van nood – en rijdt in volle vaart naar de Heemstedestraat in Amsterdam-Nieuw-West.

Ze treffen een auto aan die totaal in de kreukels ligt. Maar er is nog iets anders met die auto. Annemiek herkent hem aan het achterraampje.

Auto van mijn ex
“Volgens mij is dit de auto van mijn ex”, zegt ze, resoluut – ze schrikt van haar eigen stem. “Er zijn een heleboel van dit soort auto’s”, antwoordt haar collega. Waar Annemiek resoluut op antwoordt: “Maar niet met het getal 86 in het kenteken.”

Annemiek heeft zelf jaren in die auto gereden voordat zij en haar ex uit elkaar gingen, haar zoons waren toen 9 en 13, ze hebben co-ouderschap.

De bestuurderstoel zit letterlijk op de achterbank en het dashboard zit halverwege de auto. Dat moet een flinke klap zijn geweest, denkt Annemiek.

Ze zag enkel verwrongen metaal. Er zou één lichaam in zitten. Een levenloos lichaam. Niet meer te redden, volgens de brandweer die er al eerder was.

‘Wil je opzoeken op wiens naam deze auto staat?’, vraagt Annemiek aan een agent. Ze probeert niet te kijken of ze de bestuurder kan zien zitten, blijft uit zelfbescherming een beetje weg, maar kijkt wel of er een fiets in de buurt ligt – dat zou kunnen duiden op een tweede slachtoffer.

“Het ene moment was ik hulpverlener, het andere moment was ik daar als moeder, als ex-vrouw. Het wisselde elkaar af. Heel gek.”

Heel hard staan gillen
De agent bevestigt dat de auto van haar ex is. “Ik ben weggelopen en heb aan de overkant heel hard staan gillen. Nee, nee, nee. Nee. Nee. Nee, nee, nee, nee, nee. Dit kan niet.”

Ze is er op dat moment van overtuigd dat ze naar het autowrak kijkt waar het lichaam van haar ex-man in zit.

“Ik weet ook nog dat ik dacht: hoe moet ik dit aan de kinderen vertellen? En ook: dan komt Gian weer bij mij wonen. Hij woonde nét twee weken bij zijn vader.”

Dan belt Annemiek – vraag haar niet waarom – het nummer van haar ex-man. Hij neemt op. Annemiek roept.

“Staat de auto voor de deur?”

“Nee”, zegt hij.

“Zijn de kinderen bij jou?” roept zij weer.

Hij kijkt en antwoordt: “Gian is er niet.”

“Ik heb aan mijn haren getrokken. Ik gilde dat ik gek werd. Ik stond te trillen, zakte door mijn benen. Ik kon alleen maar denken: mijn kind. Mijn kínd!”

Annemiek wordt door haar collega in de ambulance gezet en naar haar post gebracht. “Ik heb Gian niet gezien in die auto, en nu vind ik het onbegrijpelijk dat ik ben weggegaan terwijl mijn zoon nog in dat wrak zat.

Maar je doet dingen niet bewust, op zo’n moment. Ik deed niets meer bewust. Ik had nooit kunnen bedenken dat ik onder werktijd mijn eigen kind hier zou aantreffen.

Zoiets verzin je niet. En als het gebeurt, geloof je het niet. Dit was mijn werk. Mijn kind hoorde hier niet te zijn. Mijn kind hoorde veilig in zijn bed te liggen.”

Waarom?
Maar Gian was blijkbaar rond 3.00 uur ‘s nachts toch weggegaan met de auto van haar ex. Waarom?

Niemand weet het. Vrienden zagen hem rijden, hij heeft nog ergens gepind. En toen was hij weer op weg naar huis.

Op de post in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam arriveert niet veel later haar vriend, Gerrie, met wie ze op dat moment al vijf jaar samen is.

Ze vliegt hem om de hals, later hoort ze dat ze daar hard bij heeft gehuild, maar ze weet dat niet meer.

Daarna zijn ze naar het huis van Annemieks ex gegaan, om haar zoon Roan wakker te maken en te vertellen dat zijn oudere broer niet meer leeft.

“Hij reageerde rustig, gelaten – het kwam niet binnen”, vertelt Annemiek. “Hij zei iets van: ‘Dan ben ik nu enig kind’.” Die klap kwam pas veel later. Zowel bij Roan als bij haarzelf. Maar toen nog niet.

Lees ook  Kamerplanten zijn verleden tijd: koop hier je eigen piemelplant

Want waar te beginnen? Een kist. Bloemen. Is er genoeg plek? Hoeveel mensen komen er?

Een lieve, sociale jongen
Gian was geliefd, had een groot sociaal leven, er kwamen uiteindelijk honderden mensen. Het was eigenlijk te vol in de kapel, mensen zaten op de grond, zijn vrienden dicht bij de kist.

Er stonden teksten op die liefde uitademden, maar ook ongeloof. ‘Dit overstijgt alles’, had Annemiek er in grote letters op gezet. “Ik ga nooit meer zoiets ergs meemaken, want dit ís het allerergste.”

De weken daarna begon het malen. Hoe kon haar zoon, niet in het bezit van een rijbewijs, bij de autosleutels?

Ze zocht antwoorden in zijn telefoon die ze had laten maken in een elektronicawinkel. “Ik las appgesprekken tussen mijn ex en Gian. Gian vroeg vaak aan zijn vader: mag ik je auto lenen? Zijn vader stemde altijd in.”

Witheet werd ze toen ze het las. Echt witheet. “Gian was een boefje, zo iemand die best weleens in zeven sloten tegelijk kon lopen.”

Ze neemt een slok thee, wijst naar een foto op het fotobord dat in de keuken hangt. Allemaal Gians, allemaal Roans, van kleuterleeftijd tot puber. Gian lacht naar de camera, hij kijkt ondeugend, alsof hij iets van plan is.

Puber 2.0
“Ik noemde hem altijd de puber 2.0. Hij was al 19, maar had nog steeds een bepaalde onrust in zich, had zijn leven net weer redelijk op de rit.

Hij was niet veel aanwezig op zijn opleiding, hij was een bekende van de politie. Te hard rijden op zijn scooter, scooter opvoeren, dat soort dingen.

Ik was best streng, probeerde hem toch nog op te voeden, hij ging bij zijn vader wonen. Daar mocht alles. Die auto stond daar voor het grijpen. Dat had nooit gemogen. Echt nóóit.”

“Ik ben naar een psycholoog gegaan. Die woede tegenover mijn ex was niet goed voor me, stond mijn rouw in de weg. Zij raadde me aan om het contact met mijn ex zakelijk te houden.”

Er kwam een zweem van verdriet om Annemiek heen te hangen. Ze zag er niet uit (haar eigen woorden). Ze liep dagen in joggingspak, at slecht, sliep amper, droeg geen make-up.

Zwarte kringen onder haar ogen van het huilen. Naar buiten durfde ze niet, geen dénken aan, ze ging niet eens naar de supermarkt. ‘Jij kan toch wel even gaan?’, zei ze dan tegen haar vriend.

“Ik wist dat het niet goed was om binnen te blijven, maar daar voelde het veilig. Buiten waren auto’s, auto’s waren eng. Buiten waren harde geluiden – alles kwam keihard binnen.”

Naar een psycholoog
Werken lukte niet meer. Ze kreeg de diagnose PTSS. Een posttraumatische stressstoornis. “Daar schrok ik wel van, maar het was ook wel logisch.

Ik moest helemaal bij nul beginnen. Het was al een stap dat mijn psycholoog, die ik vanuit werk kreeg, na een paar weken opperde dat het misschien goed zou zijn als ik mijn uniform uit mijn locker zou halen, en die in mijn eentje daar in de waskast zou gaan stoppen. Voor mij voelde het alsof ik de Pyreneëen moest beklimmen.”

Maar: ze beklom ze. Die spreekwoordelijke Pyreneëen. Een voor een. Stapje voor stapje. Ze waste haar uniform schoon, hing hem te drogen.

Is dat dan levenskracht? Annemiek haalt haar schouders op. “Ik zal eerlijk zijn: het eerste jaar heb ik geregeld naar beneden gekeken vanaf mijn flat – we woonden toen nog in Amsterdam, op drie hoog.

En dan dacht ik: ik kán springen. Ik heb nooit overwogen om het écht te doen, ik wilde niet dood, ik had nog een zoon en een fantastische vriend, maar ik wilde die pijn echt niet meer voelen.”

Begrijpen
Bij het woordje ‘pijn’ drukte ze even op haar hart. Ongelooflijk dat het zo stug blijft doorkloppen terwijl het zo gebroken is.

“Ik ben de afgelopen jaren druk geweest met het leven weer oppakken, maar ik wilde ook de dood van Gian begrijpen.”

Daar begon ze al mee toen Gian opgebaard lag in het uitvaartcentrum. Eerst durfde ze niet te gaan kijken.

Haar vriend Gerry is Gian gaan identificeren, samen met Annemieks broer en beste vriend, en ‘s nachts in bed had hij daarover tegen Annemiek gezegd:

‘Ik heb Gian een aai over zijn bol gegeven en wat liefs tegen hem gefluisterd’. Toen dacht Annemiek: dat is het laatste zetje. Dat wil ik ook, nu kan ik ook naar Gian toe gaan.

Niet schrikken
Toen heeft ze – schrik niet – Gians lichaam heel voorzichtig, door zijn kleren heen, met haar handen bevoeld. “Ik had nooit gedacht dat ik daartoe in staat was bij mijn eigen kind.

Maar ik wilde weten wat er kapot was in dat mooie lijf van hem, en ik ben natuurlijk medisch hulpverlener. Ik wilde álles weten. Als ik het niet wist, ging ik er zelf plaatjes van maken in mijn hoofd.”

Verhaal van Annemieks collega
In een boek dat Annemiek schreef, worden ook haar collega’s aan het woord gelaten. Eentje vertelt hoe ze die avond ervoer. Hieronder staat de (ingekorte, aangepaste) versie:

De eerste ambulance is al ter plaatse als wij aankomen. ‘Ah, leuk, gezellig, lekker klussen met Annemiek’, gaat er om in mijn hoofd. We konden altijd lekker samenwerken en lekker kletsen over onze kinderen, relaties, vakanties, het leven.

“Het is de auto van mijn ex!” riep ze. Ik keek in de verte, zag het wrak, en dacht… Hoe dan!? “Ja, echt, het is de auto van mijn ex!”

Lees ook  Deze 40 meter lange waterglijbaan is nu in de aanbieding

Mijn brein en lichaam sprongen gelijk aan. Mijn collega kwam op me afgelopen ondertussen en vroeg ik mee wilde lopen naar het wrak.

Annemiek bleef staan waar ze stond, en ik keek een andere collega aan. Wij dachten allebei hetzelfde. “Ik blijf hier bij Annemiek”, zei hij.

Bij het wrak zagen we een grote ravage. De persoon die in de auto zat, was totaal onherkenbaar, en overduidelijk levenloos.

Zo zag ze Gian de hele tijd voor zich, als ze sliep, maar ook als ze wakker was. Haar kind in die ronkende, smeulende auto.

“Ik maakte mezelf gek met de vraag: heeft hij nog geleefd?” Volgens een getuige die 112 heeft gebeld had Gian zijn ogen open.

Maar toen de hulpverleners eraan kwamen, had hij ze dicht. Annemiek perst haar lippen op elkaar, haalt haar schouders op. “Zeg het maar.”

Traumatherapie
Ze heeft daar hulp voor moeten zoeken, voor die plaatjes in haar hoofd. EMDR-therapie hielp goed. Na zes maanden ging Annemiek voor het eerst weer mee op de ambulance.

“Mijn werk was mijn passie. Als ik mijn leven terug wilde krijgen, moest ik weer proberen te werken.”

Ze ging met haar vaste collega’s op pad. Achter in de wagen. Zoals een stagiair. “Ik begon te hyperventileren toen we naar een ongeluk met een fietser moesten.

Als hulpverlener moet je altijd éérst checken of je zelf veilig bent, en dan moet je je pas bekommeren om het slachtoffer.”

Maar Annemiek kon zich niet bekommeren om het slachtoffer. Ze bleef de hele dienst hangen in die allereerste gedachte: ben ik veilig?

Toch lukte het haar om de boel weer op te pakken, met therapie, met collega’s, liefde van haar vriend, harten onder de riem van familie en vriendinnen.

Annemiek was net voor 85 procent weer aan het werk, toen er midden in de nacht werd aangebeld. Ze woonden toen net een paar maanden in dit huis, in Badhoevedorp, Gian was nog geen jaar dood.

Twee agenten voor de deur. Haar ex-man bleek overleden. Verongelukt. Tegen een boom aan gereden met zijn auto.

Misselijke grap
“Dit is een misselijke grap”, zei ze tegen de agenten. En ook: “Gaan jullie me nu vertellen dat ik mijn zoon wéér wakker moet maken?”

De agenten gingen het haar – ongetwijfeld met lood in de schoenen, pijn in het hart – weer vertellen. Ze maakte Roan wakker.

“Er is politie”, zei ze. “Maar ik heb niets gedaan”, zei Roan meteen, een beetje slaapdronken. “Dat weet ik lieverd, maar er is wel iets ergs gebeurd.”

“En dan stap je dus weer opnieuw in die rollercoaster hè. Dan stap je weer in dat wagentje van die achtbaan, hij gaat keihard, met allemaal loopings erin, en je weet niet wanneer dat kreng stopt.”

Weer een identificatie. Een kist uitzoeken. Dezelfde begrafenisondernemer dan maar. Een opbaring. Begrafenis. Wat nu nieuw was, waren de geruchten.

“Mensen dachten dat mijn ex-man het zelf had gedaan. Wij zijn ervan overtuigd van niet. Hij heeft niets achtergelaten, er lag gewoon nog een boodschappenlijstje op zijn aanrecht. Niets wees erop dat hij zoiets van plan was.”

Pechvogel? Nee hoor
Het was pech. Maar Annemiek voelt zich geen pechvogel. “Het is wat het is”, zegt ze erover. Schouderophalend.

“Na de dood van mijn ex wilde ik me niet uit het veld laten slaan. Ik was bijna weer volledig aan het werk: ik wilde weer spoedrijden.”

Roan kreeg de klap later. In 2019 zat hij een jaar thuis. Nu is hij opgekrabbeld, hij haalde zijn middelbareschooldiploma, haalde zijn rijbewijs (dat vond Annemiek nog wel ‘een dingetje’).

Hij is nu 21, studeert installatietechniek, niveau 3. Niveau 2 heeft hij al afgerond. Hij woont nog thuis, heeft een hele lieve vriendin, ze had op hem gewacht toen het met hem niet zo lekker ging en hij er weer aan toe was, vertelde ze Annemiek laatst. “Ik smolt toen ze dat zei.”

Hij komt ook steeds meer met vragen aan Annemiek. “Dat is goed”, zegt ze. “Alles op z’n tijd.”

Prachtvak
Zelf werkt Annemiek weer fulltime. “Mijn leidinggevenden en collega’s zijn fantastisch, die hebben me zo geholpen.

En ik vind het een prachtvak. Mensen bellen, wij eropaf. Van die zwaalichten gaat mijn hart sneller kloppen, hoor.”

Maar ze werkt sinds Gians dood wel altijd met haar vaste collega’s en vanaf haar vaste post. Ze heeft vertrouwde gezichten nodig.

Als ze een rit rijden naar een ongeval, ‘slachtoffers onbekend’, dan wordt ze stiller. Ze zegt dan: ‘Dit vind ik geen prettige ritjes.’

Dat helpt. Dingen uitspreken. Wéten van jezelf waar de pijn zit. En ook tegen jezelf kunnen zeggen: wat je nu gaat zien op de plek des onheil, is niet jouw verdriet.

“Weet je wat het is? Ik denk dat ik een van de ergste dingen heb meegemaakt die je als moeder en ambulancemedewerker kúnt meemaken. Maar elk trauma, hoe groot ook, kun je verwerken.”

Een eigen boek
Daarom wilde ze er een boek over schrijven, En dan is het jouw kind is af, vers van de drukker en vanaf volgende week in de boekhandel. Er staan veel foto’s in. Zo kan de hele wereld Gians guitige blik postuum leren kennen.

“Ik wil met mijn verhaal mensen laten zien dat je met de juiste behandeling het leven weer kunt oppakken.

Ik ben van mijn PTSS af. Ik zal altijd een moeder zijn die haar zoon missen moet, maar ik ben ook een moeder die het leven weer leeft.”

Ze hebben het fijn nu, Annemiek, haar vriend en Roan. “We hebben dit doorstaan, samen, met z’n drietjes en alle lieve mensen om ons heen. En dat zegt wat.”

Wat zegt het dan?

“Alles.”

Familie vreest voor Bruce Willis (65)

Wanneer dochter sterft, doneren ouders haar organen – maar weten niet dat het hun leven 16 jaar later zal veranderen